Preventieve zorg2019-03-03T10:22:20+00:00

Project Description

Preventieve gezondheidszorg

Met een vaccinatie krijgt een paard een verzwakte of dode ziekteverwekker toegediend. Hiermee wordt het afweermechanisme aangezet om afweerstoffen te maken tegen dit virus of deze bacterie. De vaccinatie moet dus een immuunrespons geven zodat als de echte indringer het lichaam binnenkomt het afweermechanisme direct kan reageren.

Influenza

Influenza is een regelmatig voorkomend virus. Het virus verspreidt zich via kleine, in de lucht zwevende waterdruppeltjes, die vrijkomen bij het hoesten. De huisvesting beïnvloedt de verspreiding, want een betere ventilatie en aanvoer van frisse lucht, betekent minder virusdeeltjes in de lucht. Het kan lang in de lucht hangen en zich kilometers verspreiden. Het is zeer besmettelijk en muteert regelmatig (verschillende stammen).
Het virus veroorzaakt een infectie in de voorste luchtwegen. Het paard is slomer, kan neusuitvloeiing en koorts krijgen. Vaak gaat het paard in een later stadium hoesten. Omdat de infectie het slijmvlies beschadigt, kunnen normaal aanwezige bacteriën secundaire infecties gaan veroorzaken, die de symptomen verergeren. Als dit het geval is, wordt de neusuitvloeiing dikker, geler en slijmeriger. Daarnaast heeft het paard ook meer last van slijm in de luchtwegen.
De ziekte is gemakkelijk over te dragen door contact tussen paarden en via de lucht.
Voor veulens en paarden met een verminderde weerstand kan influenza dodelijke gevolgen hebben.

De vaccinatie tegen influenza verlaagt de kans op het krijgen van de ziekte, vermindert de ernst van de verschijnselen en de kans op permanente schade aan de luchtwegen. Ook zorgt een vaccinatie ervoor dat een paard na besmetting met het influenzavirus minder virus uitscheidt, hierdoor gaat de infectiedruk naar beneden. Vaccineren tegen influenza is dus zeer aan te bevelen op plekken waar veel paarden komen en/of staan.

Entschema Influenza

  • Veulens: de eerste vaccinatie wordt bij veulens meestal gegeven op een leeftijd van 6 maanden. Hiervóór heeft het veulen voldoende weerstand van de moeder meegekregen (antistoffen in de biest), mits deze goed gevaccineerd is. Moederloze veulens, die deze immuniteit missen, moeten eerder gevaccineerd worden (4 maanden leeftijd). De tweede vaccinatie (booster) moet tussen 3 weken en 3 maanden gegeven worden. Dit om voldoende bescherming op te wekken. Daarna moet er (half)jaarlijks gevaccineerd worden om de bescherming tegen influenza te behouden.
  • Paarden >1 jaar: jaarlijks of als ze internationale wedstrijden lopen elk half jaar. Bij paarden die veel in contact komen met vreemde paarden (wedstrijdpaarden), wordt geadviseerd om elke half jaar te vaccineren tegen influenza.
  • Drachtige merries: in de 9e- of 10emaand van de dracht een extra vaccinatie tegen influenza en tetanus geven. Hierdoor worden er via de moedermelk afweerstoffen meegegeven aan het pasgeboren veulen en hoeft het veulen pas op zijn 6e levensmaand de eerste basisvaccinatie te krijgen.

De vaccinatie tegen influenza is verplicht voor wedstrijden. In het paardenpaspoort dient een geldig overzicht te zijn geregistreerd van de aan het paard toegediende vaccinaties, inclusief de verplicht gestelde vaccinaties tegen influenza. De basisvaccinatie tegen influenza bestaat uit twee vaccianties, die minimaal 21 en maximaal 92 dagen na elkaar moeten zijn toegediend. In de periode tussen deze twee vaccinaties mag het paard niet op wedstrijden worden uitgebracht. Vervolgens dient jaarlijks de vervolgvaccinatie te zijn gegeven. Een vaccinatie dient minimaal zeven dagen voor de (eerste) wedstrijd(dag) te zijn toegediend.

 

Tetanus

Het paard is bijzonder gevoelig voor tetanus. De bacterie Clostridium tetani veroorzaakt tetanus. Deze bacterie komt overal in de omgeving voor. De bacterie produceert een neurotoxine (gifstof) wat zenuwbanen aantast waardoor spieren verkrampen. Dit is vaak fataal voor het paard.

De bacterie groeit het beste in een omgeving waar geen of weinig zuurstof is en daarom lopen paarden met name kans op tetanus wanneer zij een diepe (kleine) wond hebben opgelopen. Via deze wond komt de bacterie binnen en zal zich in geschikt milieu snel vermeerderen en veel neurotoxine produceren. De incubatietijd (de tijd tussen besmetting en de eerste verschijnselen) is ongeveer 2-10 dagen. Wanneer het paard eenmaal geïnfecteerd is met deze bacterie is deze niet besmettelijk voor andere dieren of mensen.

De symptomen van tetanus zijn als volgt (op volgorde van verloop ziektebeeld):

  • Stijfheid van kauwspieren (ook wel kaakklem genoemd)
  • Stijfheid van hoofd, hals en benen, dit kan ertoe leiden dat het paard om kan vallen en zichzelf verwondt
  • Derde ooglid blijft zichtbaar staan (protrusie)
  • Stijfheid van de tussenribspieren wat leidt tot verstikking van het paard

Paarden reageren slecht op behandeling.
De enige effectieve weg om tetanus te voorkomen is vaccineren. De basisvaccinatie voor tetanus bestaat ook uit twee vaccinaties met zes tot acht weken tussentijd. Verder wordt vaak hetzelfde schema aangehouden als bij influenza.

Maar hoe vaak is het nu nodig om je paard te vaccineren tegen tetanus?

Sinds kort is de Fassisi Tetacheck test beschikbaar om te controleren of een paard voldoende antilichamen heeft tegen tetanus. Hiermee kunnen we gemakkelijk en snel controleren of het noodzakelijk is of uw paard tegen tetanus gevaccineerd moet worden. Wij nemen op locatie wat bloed af en na 10 minuten weten we of vaccinatie nodig is of niet. De vaccinatie tegen Influenza moet wel gewoon gegeven worden. Bij drachtige merries blijft de aanbeveling om ze in de 9e of 10e maand te vaccineren tegen influenza en tetanus ivm afweerstoffen voor het veulen.

Heeft u interesse? Geef dit dan aan bij het maken van de afspraak voor vaccinatie.

Andere ziektes waartegen wij kunnen vaccineren:

Rhinopneumonie

Vaccineren tegen EHV1 en EVH4 is mogelijk. Deze bestaat uit een (dubbele) basisvaccinatie en daarna halfjaarlijkse herhalingsvaccinatie. Vaccinatie kan echter geen 100% bescherming geven en moet daarom gecombineerd worden met een goed management om een hoge infectiedruk te vermijden. Het vaccineren van de hele stal zorgt voor groepsimmuniteit met als gevolg een betere controle van het equine herpesvirus. Eén enkel paard los vaccineren heeft minder/geen effect. Voor drachtige merries is het aangeraden te enten op 5, 7 en 9 maanden van de dracht.

 

West Nile Virus (WNV)
Individuele paarden kunnen beschermd worden door middel van een jaarlijkse vaccinatie, welke de eerste keer na 3-5 weken geboosterd moet worden met een tweede vaccinatie. Deze vaccinatie dient ruim voor het muggenseizoen (wat per jaar verschilt) gegeven te worden.

 

Droes
De basisvaccinatie tegen droes kan vanaf 4 maanden leeftijd gegeven worden. Deze wordt na 4 weken geboosterd. Veulens die naar de opvang gaan worden met een interval van 4 weken vóór het vertrek naar de opvang gevaccineerd. Om de immuniteit op hoog-risico bedrijven hoog te houden dient elke 3 maanden te worden gevaccineerd. Op een laag-risico bedrijf is dit elke 6 maanden.